Een (stukje) familiegeschiedenis.

“Ik zie mezelf nog zo zitten,
’t kleine broertje,
waar voor wordt gezorgd,
voor op de stang van de fiets.
En mijn grote broer maar fietsen.                          
Zonnige, zorgeloze kinderjaren.” (Gijs Eikelenboom)

Op een dag in 2005  mocht ik, in het kader van de lessen , contextueel pastoraat” , mijn familiegeschiedenis vertellen. In een sfeer van vertrouwen, toonde ik op het schoolbord, hoe mijn familielijnen liepen en mijn gezin van herkomst eruit ziet. Ik vertelde over de vroege dood van mijn moeder, toen ik 19 jaar was. Over hoe ingrijpend ik dat vond. En wat voor gevoelens dat gaf, onder andere schuldgevoel. Over hoe ik dacht dat dit overlijden invloed had op mijn broer en zussen, die toen al het huis uit waren. En hoe dit ook invloed had op de onderlinge verhoudingen. Over hoe het is om een “nakomeling” te zijn. Over de vroege dood van mijn moeder’s vader en hoe dat voor mijn moeder misschien is geweest. Over mijn vaders familie. Hij komt uit een groot gezin. Over mijn vader die na korte tijd op zoek ging naar een nieuwe vrouw, zonder het met mij daarover te hebben. Hoe deze vervanging mij, toen , woest en volstrekt van de kaart maakte. Ik voelde dat ik, maar ook mijn vader, mijn moeder daarmee in de steek liet. Dat is loyaliteit (trouw). Over nieuwe familie die je er dan gratis bij krijgt.  Waar je het  dan later gelukkig heel goed mee kunt vinden. Zomaar een stukje van mijn familiegeschiedenis. Door mijn levensgeschiedenis te onderzoeken en te hervertellen bracht dit nieuwe, onverwachte perspectieven met zich mee. Zo zei mijn zus toen ik belde om wat vragen te stellen over onze familiegeschiedenis, dat ik als nakomeling : “niet gepland, maar wel gewenst was.” Dat was nieuwe informatie voor mij. Hoewel ik dat rationeel wel wist, geeft zo’n schijnbaar simpele opmerking mij erkenning : “ik ben goed genoeg” .