Erfenis

Erfelijkheid en erfenis.

Lofdicht op mijn zuster . Wislawa Szymborska

 Mijn zuster schrijft geen gedichten
en ik denk niet dat ze er nu nog mee zal beginnen.
Dat heeft ze van mijn moeder, die geen gedichten schreef,
en van vader, die evenmin gedichten schreef.
Onder mijn zusters dak voel ik me veilig:
mijn zusters man zou voor geen goud gedichten schrijven.
En hoewel dit klinkt als een werk van Adam Macedonski:
niemand in mijn familie houdt zich bezig met het schrijven van gedichten.

In de bureauladen van mijn zuster liggen geen oude,
in haar tasje geen pas geschreven gedichten.
En wanneer mijn zuster me te eten vraagt, dan weet ik
dat ze niet van plan is mij gedichten voor te lezen.
Haar soepen zijn heerlijk zonder achterliggende gedachten
en als ze koffie morst, dan nooit op manuscripten.

Veel families hebben niemand die gedichten schrijft,
maar als het eenmaal zo is – blijft het zelden bij één persoon.
Soms klatert de poëzie als een waterval van geslacht op geslacht,
wat gevaarlijke draaikolken schept in de wederzijdse gevoelens.

Mijn zuster is aardig bedreven in het gesproken proza,
maar haar schrijverschap omvat slechts kaartjes van vakantie
met een tekst die ieder jaar hetzelfde luidt:
dat ze als ze thuis is
alles
echt alles
alles zal vertellen

vertaling Gerard Rasch uit de verzamelbundel Einde en begin, Meulenhoff, Amsterdam, 1998 oorspronkelijk uit de bundel Grote getallen (1976)

Wat is er toch met dit gedicht dat me aanspreekt ?  In elk geval het thema. Wat mij betreft heeft dat te maken met o.a. familierelaties. Verder is het ook de “toon” van het gedicht.  Liefdevol en toch ook kritisch . En dit  gedicht roept vragen op / daagt uit. en roept verbindingen op die de dichteres misschien wel helemaal niet bedoelt heeft.  

Op een bijna humoristische- ironische wijze beschrijft de Poolse dichteres Wislawa Szymborska , een “erfenis” in het gedicht:”Lofdicht op mijn zuster”.

Bepaalde tradities, normen, verworvenheden, maar ook lasten en plichten van de vorige generaties worden aan de volgende generaties doorgegeven. Van het kind wordt verwacht dat hij/zij iets gaat doen met zijn ” erfenis”.  Hij/zij geeft het een bepaalde plek in zijn/haar leven.  De dichteres zelf slaat een nieuwe weg in door (wel)  gedichten te schrijven, wat in haar familie niet de gewoonte is. 

“Mijn zuster schrijft geen gedichten”, ( want) Vader en moeder en “niemand in mijn familie houdt zich bezig met het schrijven van gedichten.”
Ze heeft ook geen man die gedichten schrijft, want tja, zou dat wel goed vallen binnen de familie?
Waarom worden er geen gedichten geschreven?
Duidelijke antwoorden zijn er niet, zo gaat dat in gedichten.
Wel zegt de dichteres: “ Haar soepen zijn heerlijk zonder achterliggende gedachten”. En dat klinkt gewoon heerlijk ongecompliceerd, zeer prettig als je zo doet . Toch roept het ook vragen op.  Een familie erfenis die ik er ook in lees is: “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”.

Gedichten schrijven is een vorm waarin je geraakt kan worden. En dat geraakt worden, de “ achterliggende gedachten” daar doet men niet aan in deze familie. (zo lees ik het !)
En het verstand gaat boven het gevoel. “Bij mijn zuster voel ik mij veilig” . (want zij schrijft geen gedichten en houdt zich daarmee aan de ” veilige” familietraditie)   Is dit veilig voelen eigenlijk wel voelen of is het  controle houden en gevoel buiten de deur houden?  Je gevoel wegstoppen.  En wanneer komt het weer boven ?  Waarbij ik niet bedoel dat controle houden/hebben ook niet een manier kan zijn die op zeer behulpzaam kan zijn.

Het roept vragen op : Als je gevoel niet  binnen je familie/gezin  gedeeld kan worden, hoe ga je dan er mee om als er iets ernstigs op je pad komt  ? (ziekte bijv.) Hoe deel  je dan  angst en verdriet ?  Of probeer je controle te houden ? En er door het te vermijden (spaar mezelf en de ander) controle op te houden.  Er niet samen mee leren omgaan schept pas “gevaarlijke draaikolken in de wederzijdse gevoelens.”